VOLGENS JAN VERHEYEN MAKEN FAALMOMENTEN JE ALLEEN MAAR STERKER

JAN VERHEYEN

Regisseur
” Als je je hoofd boven het maïsveld uitsteekt in Vlaanderen, is het laatste wat je ziet de zeis”

TIPS VAN JAN

// Klik hier voor meer tips en advies!!

Zijn erotische thriller The Little Dead liep ooit af op een sisser in de VS, maar what doesn’t kill you, makes you stronger. Dat dieptepunt maakte hem tot de regisseur die hij vandaag is. Ook al is zijn jeugdige overmoed wat afgevijld, Jan Verheyen blijft bijzonder ambitieus en rechtdoorzee. “Waarom zou een ondernemer geen vedette mogen zijn?” Waarvan akte.

De angst om te falen houdt veel Vlamingen tegen om te ondernemen. Is die angst herkenbaar?
“Het grote voordeel van jong beginnen, is overmoed. Wij waren zeer overmoedig en koesterden onze naïviteit. We wisten wel dat er regels waren, maar ik vind niet dat je je daar te veel van moet aantrekken. Enige overmoed is positief voor een starter. Je moet ervan uitgaan dat je in een grote vijandige wereld belandt, dat je deuren zult moeten forceren, dat je je voet tussen die deuren zal moeten zetten en dan ben je beter wat té overmoedig dan té bescheiden.”

“Ik ben zeer jong begonnen, samen met mijn kompaan. Ik denk dat we amper twintig waren. Het idee van falen komt eenvoudigweg niet in je op. Je bent zo zeker van jezelf, van wat je wilt bereiken. Wij zijn begonnen in een markt die toen, om het op zijn Vlaams te zeggen, op zijn gat lag. Er was zeer veel ruimte voor nieuwkomers met frisse ideeën. Ik denk dat het zeer verlammend zou werken als je opstart en al meteen denkt: ‘Wat als we falen, en hebben we een plan B?’ Nee, je moet ervoor gaan, je moet durven te springen. Je moet ervan overtuigd zijn dat jouw idee het beste ooit is. Dat is onlosmakelijk verbonden met het idee van een opstart. Anders heeft het geen zin. Als je er zelf niet in gelooft, dan zal ook niemand anders erin geloven. Je kunt vandaag als ondernemer ook maar beter thuis zijn in de sociale media. In 1992, toen deze dinosauriër begon, bestond dat nog niet: sociale media. Maar als ik zie hoe belangrijk die sociale media nu zijn in het creëren van word of mouth, het creëren van een awareness rond je werk, dan kun je er maar beter voor zorgen dat je dat zelf beheerst, of dat iemand dat voor jou doet.”

Wanneer hebt u voor het eerst echt een faalmoment beleefd?
“Ik heb veel geluk gehad in de dingen die ik heb gedaan. Ik vind dat ik maar één keer spectaculair heb gefaald. Dat was met mijn tweede film. Ik had een film gemaakt, Boys, die bij ons zeer succesrijk was. Op basis daarvan – om redenen die mij nog altijd niet duidelijk zijn, maar waar ik toen helemaal niet mee zat – kreeg ik een telefoontje uit Hollywood, met een concreet aanbod om daar te draaien. Ik was altijd een zeer grote liefhebber geweest van het Amerikaanse systeem – nog altijd trouwens – met die grote Amerikaanse films die bijna vanzelfsprekend wereldwijde distributie hebben, je markt vergroten,… Had men mij toen gebeld om Police Academy 7 te maken, had ik het ook gedaan. De film in kwestie was The Little Dead, een soort erotische thriller, zoals er na Basic Instinct zeer veel zijn gemaakt. Dus trok ik naar Hollywood, ervan overtuigd dat die film mijn grote doorbraak zou zijn, de eerste film van een lange, steeds groter en duurder wordende reeks Amerikaanse films. Daar ben ik dus mezelf tegengekomen. Het was een verhaal van too much too soon. Ik was daar niet klaar voor. Ik kwam ook niet terecht in de warme cocon van een Vlaamse film, waar iedereen supergemotiveerd op die set staat, vanuit het idee: ‘Wij mogen een film maken!’ Ik belandde in een zeer kille, bijna industriële omgeving, waar de drie producenten alle drie een andere film in hun hoofd hadden. En dat bleek dan ook nog een andere film te zijn dan diegene die ik in mijn hoofd had. Dus er waren vanaf dag één zeer veel conflicten op de set. Ik gedij niet in een conflict-rijke omgeving, dus na een week was ik al overgeschakeld van de ‘Ik ga de wereld veroveren’-modus naar overlevingsmodus. Wat moet ik doen om hier levend uit te komen? Er was geen weg terug. Een vliegtuig nemen en met de staart tussen de benen terugkeren, dat was ook geen optie. Ik beet op mijn tanden en heb die film voltooid. Het bleef een gevecht tot aan de montage met zeer veel conflicten en ik ben zelfs niet naar de traditionele afsluitingsdrink geweest.”

Hoe bent u nadien met dat faalmoment omgegaan?
“Ik ben voor het eerst sinds mijn humaniora-jaren – sinds de lessen Latijn van meneer Stockman – diep ongelukkig geweest. Dé vraag is: welke lessen trek ik daaruit? Ga ik in een hoekje zitten kniezen of ga je ervan uit: ‘Oké, we zien wel wat er nu komt’. Gelukkig kwam er snel een andere film in het vizier, Alles Moet Weg, die ik alleen maar heb kunnen maken dankzij de ervaring die ik had opgedaan op die Amerikaanse set.”
“Een concreet voorbeeld: Amerikaanse sets werken standaard met twee camera’s. Bij ons was dat ongezien. Ik merkte dat dat niet alleen beter vooruitgaat, maar dat het voor acteurs prettiger is, omdat ze scènes geen tien of twintig keer, maar slechts vijf of tien keer moeten spelen. Dat principe nam ik mee naar Alles Moet Weg, en het heeft zeer goed gewerkt. What doesn’t kill you, makes you stronger. De dingen die je meemaakt en die op het moment zelf verschrikkelijk kunnen lijken, zijn vaak de zaken waaruit je later kracht put. Ik moet vaststellen dat dat dieptepunt in mijn carrière heeft bijgedragen tot mijn learning curve: ik ben als een meer ervaren regisseur teruggekomen en ik heb mijzelf beter leren kennen. Die jeugdige overmoed grenst vaak aan arrogantie, dat is nu eenmaal zo, maar die scherpe kantjes zijn er afgevijld.”

Bent u na die mislukking als mens veranderd?
“Ik denk dat ik voor mijn omgeving een aangenamer mens ben geworden ná The Little Dead dan voordien. Ik moet kunnen en durven toegeven dat die ervaring mij mee heeft gemaakt tot wie ik achteraf geworden ben en dat is absoluut een betere versie dan de Jan Verheyen die als 27-jarige naar L.A. vertrok.”

“Na een zoveelste ruzie riepen de drie producenten: ‘You’ll never work in this town again’. Dat is een van de grootste clichés die je in Hollywood naar je hoofd kunt geslingerd krijgen. En ik heb toen voor mezelf uitgemaakt: oké, dan niet. Als dat de prijs is die ik ervoor moet betalen, dan ben ik liever gelukkig als een grote vis in een kleine vijver, dan ongelukkig als een kleine vis in een grote vijver. Ik heb mijn ambities bijgesteld, zodat ze nu misschien beter passen bij mijn talenten. Misschien was ik daar niet klaar voor, misschien ben ik niet goed genoeg om in dat systeem op een bepaald niveau mee te draaien. Dat kan. Dat heb ik op dat moment aanvaard. Vervolgens is het zaak om uit te zoeken waar je wel past, om je talenten zo goed mogelijk in te zetten. En dat heb ik gedaan. Ik heb hier de films kunnen maken die ik graag wil maken, met de mensen die ik graag heb, en voor een groot publiek, weliswaar op Vlaamse schaal.”

Hoe reageerde de buitenwereld op uw faalmoment?
“Ik heb niet het gevoel gehad dat The Little Dead mij in mijn omgeving zwaar is aangerekend. Ik heb het mijzelf zwaarder aangerekend. Mijn omgeving zag niet de ellende die gepaard ging met het maken van die film, zij zagen alleen het afgewerkte product. Ze zagen een relatief onderhoudende, min of meer competent gemaakte, maar ‘dertien-in-een-dozijn’ erotische film, zoals er in die periode veel zijn gemaakt. Zij hebben die film nooit gezien als een smadelijke nederlaag. Ik wist alleen voor mijzelf, zeer snel, dat die film geen deuren zou openen indien ik echt een Amerikaanse carrière wou uitbouwen. Het enige wat ik aangeboden kreeg na The Little Dead, waren geen bioscoopfilms, maar afleveringen van tv-reeksen, wat in 1996 een stuk minder hip was dan nu. Nu worden er voor de Amerikaanse televisie veel interessantere dingen gemaakt dan wat in de bioscoop te zien is.”

“De creatieve sector in Vlaanderen en België heeft een aantal vangnetten. Doordat we werken voor een publiek van nauwelijks 6 miljoen mensen, kun je niet verwachten dat er een industrie is op dezelfde schaal als de Amerikaanse, Frans of Duitse filmsector. Net zoals de Portugese, de Scandinavische en de Nederlandse filmindustrie zijn wij voor een groot deel afhankelijk van subsidies. Dat zorgt ervoor dat je als maker niet zo wordt afgerekend op het succes – of het gebrek eraan – van je laatste film, zoals in de VS, maar dat je over enige clementie beschikt.”

“Wat wel voor Vlaanderen geldt: als je je hoofd boven het maïsveld uitsteekt, is het laatste wat je ziet de zeis. Jean-Marie De Decker heeft dat ooit gezegd. We hebben de merkwaardige neiging om mensen eerst op een pedestal te hijsen, om ze er vervolgens met evenveel plezier opnieuw brutaal af te trekken. Dat is een minder fraaie eigenschap van ons. Maar dat is niet uniek voor Vlaanderen.”

Is fouten maken een essentieel onderdeel van ondernemen, zoals men in de VS stelt?

“Ondernemen krijgt vaak een pejoratieve bijklank, en dat geldt zeker voor ondernemers die falen. ‘Het zal wel zelfverrijking zijn, in de kas graaien, gefoefel en gesjoemel’, hoor je de mensen denken. Terwijl dat volgens mij maar een klein deel van de falingen vertegenwoordigt. Het zijn vaak die spectaculaire falingen die de media halen. De anonieme ondernemer die met bloed, zweet en tranen, en vaak met de inbreng van eigen kapitaal en dat van vrienden en familie, zijn zaak uit de grond heeft gestampt en door een combinatie van factoren faalt, die wordt vrij zwaar afgerekend. Daar zijn zeer weinig vangnetten voor. Daar blijkt zelfs zeer weinig begrip voor te bestaan, wat absoluut oneerlijk is. Als je het traject bekijkt van een aantal zeer grote Amerikaanse ondernemers, de selfmade men, de Rockefellers van deze wereld, dat zijn mensen die een paar keer met hun hoofd tegen een muur zijn gelopen, maar die bleven doorgaan. Nu, als je vijf keer op een rij faalt, dan is het wel tijd voor een kritisch zelfonderzoek. Maar falen is een onderdeel van ondernemen, of is in ieder geval een risico dat je bereid moet zijn om te nemen als ondernemer.”

“Je moet blijven geloven in je eigen kunnen en in je eigen idee. Je moet dat ook uitstralen. Anders is de kans zeer klein dat de mensen die je moet overtuigen, onder de indruk zullen zijn. Vandaag zijn er ook heel veel instanties die starters kunnen helpen, zoals UNIZO en het Vlaams Agentschap Innoveren & Ondernemen. Het kan zijn dat jij een geweldig idee hebt, maar dat een simpele navraag op het internet je leert dat iemand anders ook dat idee heeft en in zijn ontwikkeling ervan al veel verder staat. Dus je moet ook niet naïef zijn, je idee moet worden getoetst aan zijn haalbaarheid. Je moet ook een businessplan hebben. Je moet aan investeerders kunnen zeggen: ‘Kijk, dat is mijn idee, zo zie ik de groei, dat is het kapitaal dat ik denk nodig te hebben’. Een idee alleen is niet langer voldoende. Dat is het begin, net zoals het scenario bij een film.”

Hoe komt het dat men in de VS zo anders kijkt naar fouten maken?
“Pas op, ook in de VS draait the American dream niet zelden uit op een nachtmerrie, maar hij bestaat wel. Als ik moet kiezen tussen the American dream en doe maar normaal, dan kies ik voor the American dream. We zijn nu zeer enthousiast, en terecht, over de stappen die worden gezet door Vlaamse filmmakers en cameramensen die nu carrière maken in L.A. en in Hollywood. Ik supporter mee, alleen stel ik vast dat de Nederlanders ons dertig jaar voor zijn geweest met onder anderen Paul Verhoeven en Jeroen Krabbé.”

“We moeten niet altijd naar de VS kijken, kijk naar de buurlanden. Wij hebben Woestijnvis, maar er zijn al veel meer televisieformats ontsproten aan het brein van John de Mol, formats die via Endemol de wereld hebben veroverd. Er zijn massa’s voorbeelden van grote ideeën die uit kleine landen zijn gekomen. Dus ik vind absoluut dat wij meer vertrouwen moeten hebben in eigen kunnen en dat je groot moet durven te denken. Le Pain Quotidien is een Belgisch concept en gestart met letterlijk één houten tafel waaraan iemand ontbijt, nu is het een internationale keten.”

“Ik ben voorstander van de ondernemer als vedette. Ik weet dat Marc Coucke net omwille daarvan een controversiële figuur is, maar ik ben voor de Marc Couckes van deze wereld. Ik ben voor Wouter Torfs, ik ben voor Willy Naessens, omdat zij ook een voorbeeldfunctie kunnen hebben. Altijd die bescheidenheid… Wees trots op wat je hebt verwezenlijkt! En ik denk dat je daar veel meer mensen door inspireert dan het klassieke pour vivre heureux, vivons cachés. Daar geloof ik echt niet in. Ondernemers als Roland Duchâtelet, Gert Verhulst en Hans Bourlon zijn rolmodellen, mensen die bewijzen dat ondernemen fun is, die succes hebben zonder dat het ten koste gaat van de maatschappij, integendeel. Ze leveren net een bijdrage aan de maatschappij. De ondernemer als rolmodel, daar ben ik voor.”

WAAROM UW STEUN ESSENTIEEL IS

Wilt u ook, samen met duizenden andere Vlamingen, mee het taboe op falend ondernemerschap doorbreken? Vindt u ook dat we veel meer respect moeten tonen voor ondernemers die dag in dag uit risico’s nemen en daardoor soms falen? Bent u ervan overtuigd dat we ondernemers de kans moeten geven om uit het dal te kruipen en opnieuw recht te veren?

Onderteken dan nu ons manifest!